“Heb je nog iets met Israël?,” vroeg ik laatst aan een journalist. “Als ze zich een beetje netjes gedragen...,” was zijn antwoord. Hoewel het gesprekje uitdagend bedoeld was, staat het voor mij toch model voor de houding die veel christenen ten opzichte van Israël hebben ingenomen. Je kunt het eigenlijk niet meer met goed fatsoen opnemen voor Israël, zonder dat je iets moet zeggen over vermeende wandaden in bezette gebieden. Blijkbaar hebben de propaganda-machines hun werk gedaan. Maar ook speelt mee dat als je je schaart onder de Israël-vrienden, je dan ook wel zo’n ‘Israël-freak’ zult zijn, die de Groot-Israël-gedachte aanhangt en alles goed vindt wat Israël doet. Kortom: het veld is gepolariseerd, waardoor de nuance het onderspit delft. Het gevolg is dat mensen afhaken en de verbondenheid met Israël tanende is.
Een onderliggend probleem is dat er nauwelijk meer kennis is van de kwestie. Bijbelteksten kennen we misschien nog wel, maar hoe moeten we die lezen? Weten we daar raad mee? En wie weet wat er in de jaren rond 1948 gebeurd is in die strook land aan de Middellandse Zee? En wie is in staat om de politieke situatie van dit moment goed te beoordelen? Hoe minder we hiervan weten, des te kwetsbaarder we worden. Emoties krijgen dan al snel de overhand, want beelden van toestanden in Palestijnse vluchtelingenkampen, of van rakketten die neerkomen op Sderot, doen hun werk wel. We zullen terugmoeten naar onze uitgangspunten, om helder te krijgen hoe we ten opzichte van Israël moeten staan.
In Genesis 12 lezen we hoe God Abraham riep en hem Zijn zegen meegeeft. “Ik zal zegenen wie jou zegenen, wie jou bespot zal ik vervloeken.” Met die zegen gaat Abraham op weg naar het land dat God hem wijst. Hier begint de weg die God wil gaan met Zijn volk en het land dat Hij hen belooft. Hier begint de geschiedenis van het volk, wat nog dagelijks vecht om bestaansrecht en veiligheid. Abraham zal het land nog niet bezitten, maar God sluit wel een verbond met hem. In Genesis 15: 17 en 18 lezen we dit en in Genesis 17 wordt het nog een keer verteld. Als teken van het verbond zullen alle mannen en jongens besneden worden. Wat opvalt aan deze verbondssluiting is dat God geen voorwaarden stelt. Hij kiest eenzijdig voor Abraham, zonder dat hij goed gedrag of andere tegenprestaties vraagt.
De geschiedenis van het nageslacht van Abraham gaat verder. Niets blijft hen bespaard. Zelfs het beloofde land worden ze meerdere malen uitgedreven. Maar ook laat het volk zich soms weinig gelegen liggen aan de geboden van God. Het blijkt een hardnekkig en koppig volk te zijn. De profeet Jeremia trekt hoofdstuk na hoofdstuk van leer tegen de zonden van Israël. God heeft veel te stellen met Zijn verbondsvolk, maar toch lezen we nergens dat Hij er de brui aan geeft. Nergens lezen we dat Hij Zijn verbond opzegt. Sterker nog, God bevestigt het verbond meerdere malen. Zo lezen we in Romeinen 11:2: “God heeft Zijn volk, dat hij van tevoren uitgekozen heeft, niet verstoten.”
Ondertussen verspreidt het Evangelie van de Jood Jezus Christus zich over de aarde. De heidenvolkeren komen erbij. In Romeinen 11:17 ev lezen we dat we ingeplante olijftakken zijn, geënt op de stam Israël. Dat zou tot bescheidenheid moeten leiden, maar helaas wijst de geschiedenis anders uit. Terwijl het Joodse volk de eeuwen door pogingen doet om te assimileren, op te gaan onder de volkeren, wordt ze voortdurend bij de les gehouden. Door de geboden van de Thora, die God hen gaf zodat ze zich zouden onderscheiden. Maar ook omdat het ze onmogelijk wordt gemaakt een normaal bestaan te leiden. We vergeten het makkelijk, maar uitgerekend het christelijke Westen draagt een grote schuld met zich mee van discriminatie, uitsluiting van bepaalde beroepen tot en met de pogroms in Oost-Europa. Uitlopend op de grootste vernietigingspoging uit de geschiedenis, de holocaust. Het lijkt wel alsof juist in de nabijheid van God het kwaad zich extra sterk manifesteert, alsof juist het door God uitgekozen volk het hard voor de kiezen krijgt. Vaak lijkt het voorbij, alsof het volk het onderspit gedolven heeft. Maar steeds richt het zich toch weer op. Totdat in 1948 de staat Israël wordt uitgeroepen. Met steun van de VN, maar de Arabische wereld is tegen en blijft tegen. Waarom? Vanwaar die obsessie? Zou het iets te maken kunnen hebben met de belofte van God, die altijd met Zijn volk is meegegaan? Ik geloof dat we een verklaring in die richting mogen zoeken. Er wordt een rode draad door de wereldgeschiedenis getrokken door een God die trouw is aan Zijn verbond en Zijn volk een rol laat spelen in de voleinding van de wereld. Dat levert tegenstand op. Daarmee zijn niet alle moeilijke vragen beantwoord. Sterker: dan begint het vragen pas.
Ook al zetten we wel eens vraagtekens bij de manier waarop de staat Israël met de Palestijnse kwestie omgaat, we kunnen niet neutraal aan de kant blijven staan. Israël verdient onze steun. Niet vanwege goed gedrag, maar omdat God voor hen gekozen heeft. Eenzijdig en vrijwillig, uit liefde. Dat deed Hij zonder argument. Daarom antwoord ik op de vraag: ‘Heb je nog iets met Israël?’, met een volmondig: ja.
Arie Kok
Hoofdredacteur EO-Visie
Gepubliceerd: CV.Koers, juni 2008.