Golda Meir, mijn leven
 
Toen het feminisme nog in de kinderschoenen stond en de Palestijnen nog Arabieren heetten, zat Golda Meir al in de regering van Israël. Geboren in Kiëv, was ze al jong geëmigreerd naar de Verenigde Staten. Van daaruit vertrok ze in de jaren twintig naar Palestina, waar de ijzeren dame al snel in de hoogste kringen van de staat-in-wording terechtkwam. Volkomen vanzelfsprekend, lijkt het wel. Volgens Ben-Goerion was ze ‘de enige man in mijn kabinet.’ Nadat ze haar ambt als premier in 1974 neerlegde, schreef ze haar memoires. De Nederlandse vertaling Golda Meir, mijn leven moet destijds in hoge aantallen verkocht zijn, want de antiquariaten op internet grossieren er nog in. Mijn schoonvader had nog een exemplaar op zolder liggen, wat hij op een onbewaakt ogenblik in mijn handen stopte: “Deze wil jij vast wel hebben...” Inderdaad was het boek aan mij besteed. In een nuchtere en trefzekere stijl verstelt Meir haar levensverhaal, wat getekend wordt door haar socialistisch-zionistische idealen. Tegelijk krijg je de wordingsgeschiedenis van de staat Israël mee, gezien vanuit het perspectief van begin jaren zeventig.
 
In de beginjaren was de hoop op vrede in het gebied nog reëel, toen leek een oplossing nog haalbaar. Israël was in oorlog met vijf buurlanden, maar met landen kun je vrede sluiten, zoals ook met Egypte en Jordanië gebeurd is. Met terroristenbendes als Hamas en Hezbollah ligt dat een stuk lastiger, omdat ze ideologisch gedreven worden. Inmiddels is de sfeer tussen Palestijnen en Israëli’s zo verziekt, dat het ook na een vredesakkoord decennia zal kosten voordat de wonden geheeld zijn.
 
Na lezing van Golda’s levensverhaal blijft één gedachte hangen: de ellende van nu was misschien wel niet nodig geweest. Althans, niet in deze mate. Israël had de oprechte intentie, en nam dat ook in 1948 in de onafhankelijkheidsverklaring op, om de Arabische buren vreedzaam de hand te reiken en Arabische burgers op basis van gelijke burgerrechten in de nieuwe staat op te nemen. De stelselmatige weigering van de Arabieren om Israël te erkennen blijkt ook in dit boek de grootste hindernis voor de vrede. En de grote vraag van Golda is: wat dreef de Arabieren hierin? ‘Een overweldigende, redeloze drang om ons uit te roeien? Angst om de vooruitgang die wij in het Midden-Oosten zouden brengen? Een afkeer van de Westerse beschaving?’ Een vraag die ook mijn vraag is, en die nog steeds boven de markt hangt.
 
Arie Kok
 
Gepubliceerd: Reveil, juni 2008.
Golda Meir, mijn leven
zaterdag 3 mei 2008